Voor familie & naasten · fase 3
In het woonzorgcentrum
Het woonzorgcentrum neemt de dagelijkse zorg over, maar dat is geen rustige fase. Zeker de eerste weken zijn kwetsbaar — en de familie blijft de enige die het totaalbeeld ziet.
De eerste weken
De eerste weken zijn voor iedereen onbekend terrein: het team kent de bewoner niet, de bewoner kent het team niet, en de familie staat aan de zijlijn van een omgeving die ze niet controleert. Bij CBS maakt dat die periode bijzonder kwetsbaar. De bewoner kan vaak niet zeggen hoe het gaat — onrust, terugtrekking of veranderd gedrag zijn de enige signalen, en ze worden nog niet correct gelezen door mensen die haar niet kennen.
Het doel van die eerste periode is zo snel mogelijk naar stabiliteit komen. Dat vraagt actieve observatie van de familie: welke signalen zie je, hoeveel onrust is er, wat lijkt die te triggeren? Die observaties zijn niet bijkomstig — ze zijn het enige instrument om bij te sturen in een omgeving waar je nog geen vat op hebt. Een goede, transparante communicatie tussen familie en zorgteam maakt of kraakt het verdere verblijf.
Drie dingen die bewaking vragen
- Medicatie. Elk woonzorgcentrum heeft zijn eigen medicatiebeleid; wat thuis werd gegeven, wordt niet automatisch op dezelfde manier voortgezet. Controleer de lijst bij opname en vraag bij elke wijziging naar de reden — medicatie zonder therapeutisch doel kan bij CBS een versnellingsfactor zijn. Controleer ook of een voorgeschreven wijziging (dosis, tijdstip, stopzetting) effectief in het schema staat: een voorschrift dat niet geregistreerd is, wordt niet uitgevoerd. Noteer afwijkingen gedateerd.
- Incidenten en valpreventie. Vallen is bij CBS een van de belangrijkste versnellingsfactoren. Proactieve valpreventie is geen bijzaak maar een kernverantwoordelijkheid van het team. Gebeurt er toch een val, verwacht dan transparante communicatie en een concreet opvolgvoorstel. Vraag of de val tijdens een transfer of begeleiding gebeurde — zo ja, dan is “het is de CBS” geen volledig antwoord; een begeleide val wijst op techniek en aankondiging. Documenteer zelf (datum, uur, omstandigheden, foto). Een terugkerend patroon hoort tot een aangepaste aanpak te leiden, niet enkel tot een notitie.
- Periodiek overleg. Regel vanaf dag één een vast aanspreekpunt en een overlegstructuur — frequent in het begin, na stabilisatie minder. Sommige huizen noemen dat aanspreekpunt een zorgcoach of teamcoach, andere een hoofdverpleegkundige; vraag er gerust al naar tijdens de kennismaking. Dat overleg hoort periodiek de vorm aan te nemen van een MDO — wat dat precies is en wanneer je er zelf een mag aanvragen, staat verderop op deze pagina. Wat niet wordt uitgesproken, wordt niet bijgestuurd.
Als wettelijk vertegenwoordiger blijf je de enige die het totaalbeeld heeft. Informatie zit verspreid tussen woonzorgcentrum, huisarts, specialist en ziekenhuis, en wordt zelden spontaan samengebracht. Blijf documenteren, spreek regelmatig met zowel de arts als het woonzorgcentrum (apart en samen), en vraag periodiek de medicatielijsten op. Ook paramedici zoals kinesitherapeut en logopedist werken autonoom en rapporteren niet vanzelf: vraag geregeld hoe het gaat, wat zij zien evolueren en of de aanpak nog aansluit. Dat is geen wantrouwen: bij CBS komt dat totaalbeeld nergens anders vanzelf samen, dus valt die coördinerende rol bij jou als vertegenwoordiger — niet omdat je de zorgverleners moet controleren, maar omdat niemand anders die verbindende rol op zich neemt.
Het MDO — vaste overlegtool, geen uitzondering
Het MDO (multidisciplinair overleg, ook zorgoverleg genoemd) vraag je niet enkel aan wanneer het misloopt — het is het moment waarop beslissingen over de zorg van de bewoner formeel vastgelegd worden, in het dossier, in plaats van te blijven hangen in een gesprek in de gang. Bij CBS, waar de bewoner zelf zelden kan bijsturen of corrigeren, is dat geen formaliteit maar de kern van goede zorg.
Minimale samenstelling van een geldig MDO: een arts (huisarts, geriater of specialist) + de wettelijke vertegenwoordiger + minstens één andere discipline (verpleging, kine, logopedie, sociale dienst…)[4]. Zonder arts is er geen medische afweging — dat is dan een administratief overleg, geen MDO. Zonder de vertegenwoordiger ontbreekt de wettelijk vereiste inbreng bij beslissingen over zorg, wilsverklaring of comfortbeleid.
Wie initieert: een MDO hoort normaal door het WZC georganiseerd te worden — bij opname, na een incident, of bij een wijziging in de zorgzwaarte. Gebeurt dat niet vanzelf, dan kan de familie het evengoed zelf aanvragen; dat is geen gunst maar een recht dat je mag opeisen.
Een MDO met schriftelijk verslag weegt zwaarder dan een mondeling gesprek: het legt vast wat het team nadien effectief uitvoert. Precies daarom is het ook de sterkste hefboom wanneer iets structureel niet loopt — zie Rollen en escalatiepaden. Vraag het verslag altijd schriftelijk op als het niet vanzelf komt.
Voor een concreet, printklaar voorbereidingsblad — wie er meestal aanwezig is en wanneer een MDO aangewezen is — zie Voorbereiding op een zorgoverleg.
Informatiedoorstroming en consistente zorg
Dit is misschien wel het punt dat een woonzorgcentrum voor CBS máákt of kraakt. Een instructie moet niet één keer kloppen, maar élke ploeg, élke dag opnieuw — dag geeft door aan nacht, nacht aan dag, weken en maanden lang. Bij CBS is er geen marge: de bewoner kan zelf niet corrigeren, niet klagen, niet “even zeggen” dat het anders moet. Elke breuk in de doorstroming of in de uitvoering landt direct op haar — als aspiratierisico, als onrust, als een gemiste basisbehoefte.
De valkuilen zijn herkenbaar, en bijna altijd systeemfouten:
- Info die verdampt tussen ploegen. Wat mondeling wordt “doorgegeven” of “laten doorsijpelen in de organisatie”, is na een paar dagen bij de helft van het personeel niet meer geweten. Vraag concreet hóé informatie tussen ploegen wordt overgedragen, en wie bewaakt dat een wijziging iederéén bereikt — structureel, niet toevallig.
- Systemen die het cruciale niet vatten. Een medicatiepakket dat geen exacte toedieningsuren kan registreren en het dan maar als losse “opmerking” bijzet, verliest net het detail dat bij CBS telt. Sta erop dat kritieke zaken — toedieningsuren, slikconsistentie, drinkhulp — in het formele zorgplan staan, niet als vrijblijvende notitie.
- Zorg die verschilt naargelang wie ze uitvoert. Dranken indikken dat de ene tot behanglijm verdikt en de andere helemaal niet, of hulp bij drinken die de ene wel en de andere niet geeft — dat is bij CBS geen detail maar levensgevaarlijk en ontregelend. Vraag dat de logopedist de exacte consistentie vastlegt, en dat de uitvoering voor iederéén identiek is.
Wat helpt: maak het kritische expliciet en zichtbaar. Een whiteboard of kaart op de kamer met de actuele routine en de niet-onderhandelbare punten, bereikbaar voor wie binnenkomt. Het overdrachtsdocument en een heen-en-weerboekje als vaste ankers. En controleer of instructies écht geland zijn — vraag het aan verschillende personeelsleden, en noteer gedateerd wat telkens misloopt. Eén keer fout is een vergissing; hetzelfde dat blijft terugkeren, is een organisatieprobleem — en dan hoort het op tafel bij het overleg, niet in de wandelgangen.
En wees eerlijk over de grens: soms lukt het gewoon niet. Een huis dat, ondanks documentatie, overleg en tijd, geen correcte basiszorg kan bieden, gaat dat ook niet plots wél doen. Dan is verhuizen geen falen van de familie maar de enige verantwoorde optie. Hoe je die afweging maakt — en wanneer blijven net zwaarder weegt — staat verder bij Wat als het niet loopt zoals verwacht.
Slikken en dysfagie
In deze fase komen slikproblemen vaak op de voorgrond. Ze zijn bij CBS geen bijkomstigheid, maar een van de gevaarlijkste complicaties — net omdat ze geleidelijk verslechteren en lang onopgemerkt blijven. Het grootste risico is aspiratie: voedsel of vocht dat in de longen belandt en longontsteking veroorzaakt, een van de meest voorkomende directe doodsoorzaken bij CBS. Verraderlijk is stille aspiratie: verslikken zonder te hoesten, doordat de hoestreflex verminderd is.
Er is één ding dat bij CBS vaak misgaat in de benadering van slikken, en het is belangrijk genoeg om apart te benoemen[1]. Bij veel oudere mensen ontstaat een slikprobleem door verzwakking van de spieren — en dan is de logische aanpak: spieren trainen en dranken indikken. Bij CBS ligt het vaak anders. Het kernprobleem is niet altijd de kracht van de spieren, maar de aansturing ervan: het brein slaagt er niet meer in de slikbeweging correct te plannen en te initiëren. Het is dezelfde apraxie die elders maakt dat een hand niet meer doet wat de persoon wil, ook al is de spier niet verlamd.
Dat onderscheid heeft gevolgen. Oefeningen die op spierkracht mikken, kunnen bij een aansturingsprobleem minder opleveren dan verwacht — en bij iemand die de oefenopdracht door de ziekte niet meer goed begrijpt, kunnen ze eerder belastend dan behulpzaam zijn. Het betekent niet dat oefeningen zinloos zijn, wel dat hun doel — herstel of behoud — expliciet benoemd hoort te worden. Een tweede eigenheid is gejaagd of gulzig drinken: doordat de rem op de uitvoering wegvalt, drinkt iemand soms te snel en te veel tegelijk, wat het verslikrisico vergroot ook als de spierkracht op zich nog volstaat. Rustig tempo en begeleiding zijn daarom geen detail maar een kernmaatregel — iemand die het tempo mee bewaakt, doet vaak meer voor de veiligheid dan de textuur van de drank alleen.
Schakel logopedie in zodra er signalen zijn: verslikken bij drinken, een natte of schorre stem na het eten, trager eten, voedsel dat in de mond blijft, of onverklaard gewichtsverlies. De maatregelen die dan volgen zijn geen vaste receptuur maar afwegingen — wat helpt bij de ene persoon, kan bij de andere meer kwaad dan goed doen, en wat vandaag past, kan volgende maand anders liggen. Laat ze bepalen en opvolgen door de logopedist:
- Positie. Rechtop eten, en minstens dertig minuten na de maaltijd niet plat liggen — een van de weinige maatregelen die vrijwel altijd helpt en zelden nadeel geeft.
- Textuur aanpassen. Zachte, goed te kauwen voeding; vermijd droge, kruimelige of taaie texturen.
- Dranken verdikken — met voorbehoud. Bij dunne vloeistoffen wordt dit vaak aanbevolen omdat ze sneller geaspireerd worden. Maar indikken is geen onschuldige standaardmaatregel[2]: te dik verdikte drank smaakt tegen, wordt geweigerd, en verhoogt het risico op uitdroging en urineweginfecties — terwijl het bewijs dat het longontsteking voorkomt beperkt is. Wanneer en hoeveel er wordt ingedikt, hoort een weloverwogen beslissing van de logopedist te zijn, met een exacte consistentie die voor iedereen identiek wordt uitgevoerd — geen inschatting die per medewerker verschilt.
- Kleine porties, langzaam tempo. Geef tijd, en onderbreek bij tekenen van vermoeidheid. Bij CBS, met de neiging tot gejaagd drinken, is dit vaak belangrijker dan de textuur zelf.
- Mondverzorging. Goede mondhygiëne verlaagt het risico op longontsteking bij aspiratie.
De rol van de familie is hier niet om de slikbeoordeling zelf te maken — dat kan je niet en dat hoeft niet — maar om de juiste vragen te stellen, zodat CBS niet uit beeld raakt. Wanneer slikken te gevaarlijk wordt ondanks aanpassingen, is sondevoeding soms een optie. Of dat wenselijk is, beslist de familie samen met de arts — bij voorkeur vastgelegd in de wilsverklaring terwijl de persoon nog zelf kan aangeven wat ze wil. Die afweging komt uitgebreider aan bod in het hoofdstuk levenseinde (fase 4).
Als de rem op eten wegvalt
Bij sommige mensen met CBS verandert het eetgedrag op een specifieke manier: de rem die zegt "genoeg" valt weg. Je merkt het aan iets herkenbaars — zet een halfvol bord neer en het wordt leeg gegeten; zet een vol bord neer en ook dat wordt leeg gegeten. De grens ligt niet meer bij verzadiging, maar bij wat er op het bord staat.
Dat is geen honger en geen gulzigheid in de gewone zin. Het verzadigingsgevoel zelf blijft vaak intact — het lichaam weet wel dat het vol zit — maar het brein zet dat signaal niet meer om in de gepaste actie: stoppen. Het is dezelfde soort frontale rem die elders bij CBS wegvalt: bij het te snel en gulzig drinken, en bij bewegingen die niet meer gestuurd raken. Het gaat om schade aan de frontale hersengebieden die impulscontrole regelen.
De praktische consequentie: de portiecontrole moet van buitenaf komen. Een redelijk bord opdienen en niet onbeperkt bijgeven is dan geen betutteling — het neemt een functie over die het brein niet meer vervult. Belangrijk om te weten voor het zorgteam, zodat "ze blijft maar eten" niet als vraatzucht of als een gedragsprobleem wordt gelezen, maar als wat het is: een neurologisch symptoom. Let wel op het omgekeerde later in het verloop: wanneer slikproblemen en moeite met het herkennen van voedsel gaan overheersen, kan het omslaan naar juist te weinig eten — en dan verschuift de aandacht naar voldoende en veilige inname.
Dit patroon is het duidelijkst beschreven bij frontotemporale dementie[3], een aandoening die met CBS verwant is; bij CBS komt het voor wanneer de ziekte de frontale gebieden aantast, maar niet iedereen met CBS krijgt ermee te maken. Zie je het optreden, bespreek het dan met de arts — ook om andere oorzaken uit te sluiten.
Muziek en zang
In een woonzorgcentrum zijn lang niet alle georganiseerde activiteiten nuttig of te verdragen voor iemand met CBS — muziek en zingen wél. Zingen maakt bij veel mensen met CBS langer mogelijk wat spreken niet meer lukt. Spreken is sterk gelateraliseerd in de linker hersenhelft en kwetsbaar voor de schade die CBS aanricht; zingen activeert een breder netwerk over beide hersenhelften — alternatieve paden die langer intact blijven. Iemand die door apraxie geen woorden meer kan uitvoeren, kan soms nog luid en correct meezingen met vertrouwde liedjes.
Vertrouwde muziek is zo een communicatiemiddel én comfortinstrument tegelijk: het kan onrust kalmeren en een moment van contact creëren wanneer andere wegen gesloten zijn. Specifieke liedjes met betekenis werken het sterkst. Vermeld dit expliciet in het overdrachtsdocument — het zorgteam weet het anders niet.
Binnenkomen zonder diagnose CBS
Dit is het meest voorkomende scenario. De bewoner komt binnen met een label — Parkinson, Alzheimer, dementie — en de zorg wordt daarop afgestemd. Op een bepaald moment zie je als familie dat er iets niet klopt: het gedrag past niet in het label, de zorg werkt niet, de bewoner reageert anders dan verwacht. Dat gevoel is het startpunt.
- Documenteer. Deed je dat al vanuit de thuisfase, dan heb je een voorsprong; zo niet, begin nu. Gedrag, motoriek, communicatie, reactie op kleine en grote dingen — alles wat het patroon zichtbaar maakt.
- Spreek het zorgteam aan. Leg voor wat je ziet en vraag hoe zij het interpreteren. Zij werken vanuit het bestaande label; jij bent de enige die dat label in vraag kan stellen.
- Vraag doorverwijzing naar een neuroloog, best via de huisarts, met je documentatie bij de hand. Hoe je dat gesprek voert, staat beschreven bij de familie als medisch coördinator (fase 1B) — die strategie geldt hier ongewijzigd.
- Vraag bij diagnose onmiddellijk een MDO aan. Zodra CBS bevestigd is, verandert het kader volledig. Dat overleg is hét moment om dat formeel te verankeren: wat weet het team nu, wat betekent dat voor de zorg, en wat kan en wil het huis bieden naarmate het ziektebeeld evolueert? Is het antwoord op die laatste vraag onvoldoende, dan is dát het moment om alternatieven te bespreken — niet later, wanneer de situatie al vastgelopen is. Gebruik hiervoor gerust de voorbereidingsfiche voor een zorgoverleg.
De diagnose CBS kwam pas een dik jaar na de opname. Het verschil tussen hoe de zorg eruitzag vóór en na die diagnose was niet gradueel — het was fundamenteel. Wat daartussen lag, was tijd die nooit terugkomt.
Wat als het niet loopt zoals verwacht
Of de zorg aansluit bij wat je mag verwachten, zie je zelden in één moment maar in een patroon, bijvoorbeeld: onrust die niet afneemt, gedrag dat herhaaldelijk verkeerd wordt geïnterpreteerd, incidenten die niet gemeld worden of terugkeren.
Een huis — of een arts — kan daarbij volledig in orde zijn op papier: de juiste protocollen, de juiste
voorbereiding op een inspectie, en toch tekortschieten in iets dat geen enkele checklist meet. Een
herkenbare vorm: een afspraak die de ene week wel en de andere week niet wordt toegepast, omdat ze
meebuigt met wie er net om vraagt, in plaats van vast te liggen in een duidelijk, medisch onderbouwd
voorschrift. Dat wordt dan wel eens toegeschreven aan "de familie is niet consequent" — terwijl de
eigenlijke verantwoordelijkheid ligt bij het vastleggen én bewaken van dat voorschrift, niet bij wie er
middenin staat.
Die lijn werkt ook in de andere richting: een vraag die zonder uitleg wordt afgewezen,
doet een gesprek al even onnodig escaleren, terwijl een onderbouwd "nee, en hierom" vaak had volstaan.
In beide gevallen ligt de verantwoordelijkheid om dat te bewaken bij de zorgverlener — arts of
WZC-team — niet bij de familie: van een professional mag je verwachten dat die een beslissing kan
dragen en toelichten, ook als het antwoord nee is. Vragen naar die onderbouwing is geen wantrouwen —
het is een redelijke vraag, en wie er goed in staat, kan ze beantwoorden.
Wordt een bepaald patroon zichtbaar, dan zijn er drie stappen:
- Benoem het formeel. Vraag een MDO aan, leg het patroon op tafel met documentatie, en vraag expliciet of het huis de zorg voor deze bewoner nog aankan. Een directe vraag dwingt een direct antwoord. Mondeling volstaat niet — vraag een schriftelijke bevestiging.
- Zoek tijdig een alternatief — vóór de crisis, niet erna. Weeg twee reële risico’s tegen elkaar af. Een verhuis is voor iemand met CBS ingrijpend: elke nieuwe omgeving is een nieuwe aanslag op de routine, en de transfer zélf draagt een risico. Maar blijven in een huis dat de zorg niet levert is even goed een risico — verkeerde medicatie, gemiste infecties of pijn en aanhoudende onrust zijn precies de versnellingsfactoren, nu structureel ingebakken. De vraag is dus niet “verhuizen of niet”, maar: kan het nieuwe huis aantoonbaar beter, en kan de verhuis goed worden voorbereid — met vertrouwde gezichten, behouden routines en een dossier dat meegaat? Eén grens ligt vast: in de terminale fase (structureel slikfalen, bedlegerigheid, terugkerende longontsteking) weegt een verhuis bijna nooit nog op tegen de belasting ervan; dan is ter plaatse blijven, met comfortzorg, de regel.
- Gebruik je klachtrecht bij verwaarlozing of onveilige zorg. Welk spoor daarbij past — het woonzorgcentrum als organisatie, of een individuele arts of zorgverlener — en wat je er realistisch van mag verwachten, staat uitgewerkt bij Je rechten. Gaat het over het huis zelf, dan behandelt de Woonzorglijn (Departement Zorg) klachten over woonzorgcentra in Vlaanderen en kan een onderzoek door Zorginspectie in gang zetten — de volledige aanpak staat bij Rollen en escalatiepaden. Dat traject vraagt tijd, maar het bestaat.
Twee valkuilen die families zelden benoemen, maar die even bepalend zijn als wat het huis doet of nalaat. In een moeilijke situatie vervalt men snel in herhaling: dezelfde klacht, hetzelfde gesprek, dezelfde knop die niet werkt. Dat is begrijpelijk, maar het lost niets op — kijk scherp naar wat werkelijk toe doet voor de bewoner, niet alles is een gevecht waard. En de keuze van een woonzorgcentrum — de eerste keer, maar evengoed bij een verhuis — wordt vaker gemaakt vanuit het gemak van de familie (dichtbij, vertrouwde buurt) dan vanuit de noden van de bewoner. Dat is menselijk, en het huis in de buurt kán het juiste zijn — maar bij CBS bepalen de zorgcultuur en de aanpak meer dan al de rest samen.
Een verhuis omdat de zorg niet (meer) volstaat, hoeft overigens geen conflict te zijn: soms wordt in goed overleg met het huidige team vastgesteld dat de zorgnood het huis overstijgt, en is een verhuis een gezamenlijke, proactieve beslissing — geen nederlaag van de familie of van het huis. Toch is dit traject zelden eenvoudig. Verhuis je naar een andere gemeente, dan gelden er voorrangsregels op de wachtlijst die niet altijd transparant zijn; en of een wachtlijst "lang" of "kort" is, zegt op zich weinig over de concrete wachttijd — reken dus niet op een voorspelbare timing. Er is nog iets dat zelden benoemd wordt: je start dit traject nooit neutraal. Een intake bij een nieuw huis begint vrijwel altijd met de vraag waarom het vorige huis niet volstond — en een eerlijk antwoord daarop is moeilijk te geven zonder dat het klinkt als kritiek op dat vorige huis. Dat is geen falen van de familie: het is een structureel probleem dat bij vrijwel elke voorziening speelt, niet bij één specifiek huis. Precies daarom weegt een tweede keuze zwaarder dan de eerste — een verhuis is ingrijpend, dus die keuze verdient minstens evenveel bewuste voorbereiding als het juiste woonzorgcentrum kiezen de eerste keer.
Bronnen
1. Grunho M, Sonies B, Frattali CM, Litvan I. Swallowing disturbances in the corticobasal syndrome. Parkinsonism Relat Disord. 2015;21(11):1342-1348 — doi.org/10.1016/j.parkreldis.2015.09.043
2. Abrams SW, Gandhi P, Namasivayam-MacDonald A. The Adverse Effects and Events of Thickened Liquid Use in Adults: A Systematic Review. Am J Speech Lang Pathol. 2023;32(5):2331-2350 — doi.org/10.1044/2023_AJSLP-22-00380
3. Cipriani G, Carlesi C, Lucetti C, Danti S, Nuti A. Eating Behaviors and Dietary Changes in Patients With Dementia. Am J Alzheimers Dis Other Demen. 2016;31(8):706-716 — doi.org/10.1177/1533317516673155
4. Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 7, 8 en 14 — informatierecht, toestemmingsrecht, vertegenwoordiging bij wilsonbekwaamheid (grondslag voor de verplichte inbreng van de wettelijke vertegenwoordiger bij een MDO): ejustice.just.fgov.be
Bronstatus: bron [1] is de enige studie die swallowing-klachten specifiek bij CBS onderzocht (24 patiënten, NIH); ze onderbouwt dat slikklachten bij CBS vaker voorkomen dan bij gezonde controles, maar onderzocht niet apart of de oorzaak aansturing (apraxie) dan wel spierzwakte is — dat onderscheid is hier een klinisch-logische extrapolatie vanuit hoe apraxie elders bij CBS werkt, geen aparte onderzochte bevinding. Bron [2] is niet CBS-specifiek maar een brede systematische review over de risico's van verdikte dranken bij volwassenen in het algemeen; de risico's (uitdroging, urineweginfectie, verminderde inname) gelden dus in het algemeen, niet als CBS-specifiek gemeten gegeven. Bron [3] gaat over eetgedrag bij dementie in het algemeen, met een uitgesproken link naar frontotemporale dementie; ze wordt hier gebruikt bij gebrek aan CBS-specifiek onderzoek naar ontremd eetgedrag. Bron [4] is niet CBS-specifiek — ze onderbouwt enkel de algemene, wettelijk verplichte inbreng van de vertegenwoordiger in een MDO, niet iets CBS-eigens.
